Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Blog Post

192 Romantiek

september 16, 2020 Column

De Romantiek is een fase in de cultuurgeschiedenis die sterk gekenmerkt werd door het subjectief-emotioneel-gevoelsmatige en verbonden daarmee met het heldhaftig-avontuurlijke, en niet te vergeten de liefde, soms neigend tot het sentimentele en melancholische. Zonder de renaissance (Monteverdi enz.), de barok (Bach, Händel enz.) en het Weense classicisme (Haydn, Mozart, enz.) tekort te doen, heeft vooral de Romantiek (eind achttiende tot begin twintigste eeuw) een ongelooflijke rijkdom aan composities opgeleverd. Ik noem slechts de allerbelangrijkste namen (alfabetisch): Beethoven, Berlioz, Brahms, Bruckner, Chopin, Dvořák, Elgar, Franck, Glinka, Grieg, Liszt, Mahler, Mendelssohn, Paganini, Puccini, Rachmaninoff, Rimsky-Korsakov, Rossini, Saint-Saëns, Schubert, Schumann, Sibelius, (Richard) Strauss, Tsjaikovsky, Verdi en Wagner.

Veel liedmelodieën van de Vergadering van Gelovigen, waarin ik ben opgegroeid, stammen uit de vroege Romantiek. Ik ben dol op vele ervan, vooral die van Wilhelm Brockhaus (1819-1888), die sterk herinnert aan Schubert, Schumann en Mendelssohn. Net als Schubert heeft Brockhaus heel wat Wanderburschen-liederen geschreven, exact in dezelfde stijl (de Wanderbursche was een gezel die, om meester te kunnen worden, door het land zwierf om overal nieuwe werkmethoden en levenservaring op te doen.); alleen was de Wanderbursche nu een arme, eenzame pelgrim geworden, die door de kale, doodse woestijn van deze wereld moeizaam op weg was naar de hemel. Sommige van deze heerlijke melodieën kwamen ook in de negentiende-eeuwse uitgaven van de Nederlandse Geestelijke liederen voor, maar de nuchtere Hollanders hebben die er in 1955 weer uitgegooid – een treurige cultuurbarbaarse daad.

Wellicht was het mede door de Vergaderingsmelodieën dat mijn allereerste liefde als puber naar de muziek van de (vroege) Romantiek uitging: Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Chopin, Schumann, later ook Brahms. Leren deed ik stukje bij beetje. Bij een lief Vergaderingsgezin kreeg ik op een dag een grammofoonplaat cadeau omdat men er ‘niks aan’ vond: het was het prachtige Pianoconcert van Robert Schumann. Mochten toch allen die zulke muziek ‘niks aan’ vinden, hun cd’s bij mij komen inleveren!

Eerst leerde ik van de grote Romantici de orkestrale muziek kennen, later vooral ook de vocale en de kamermuziek. Pas daarna leerde ik de muziek van vóór en ná de Romantiek kennen. Ik weet niet of het mede door het gemeentelied bevorderd is, maar uiteindelijk zou mijn klassiek-muzikale voorkeur bijzonder naar de vocale muziek uitgaan, vooral naar liederen en koren met symfonie-orkest: passionen, oratoria (Bach, Händel, Haydn, Liszt, Berlioz), missen, requiems (naast de overbekende van Mozart, Brahms, Verdi en Fauré vooral ook Dvořák en Duruflé), opera (naast Mozart en Verdi vooral Berlioz, Puccini, Debussy en Richard Strauss), en vocale symfonieën zoals die van Gustav Mahler (nrs. 2-5 en 8, plus Das Lied von der Erde). Zeg maar, alles bijeengenomen: van Claudio Monteverdi tot Philip Glass en Arvo Pärt. Met name Schubert en Mahler zijn allereerst liedcomponisten geweest, zoals dat tot in hun symfonieën (en Schuberts weergaloze late strijkkwartetten!) te horen is – en daarom houd ik zoveel van ze.

Tijdens mijn biologiestudie was mijn platencollectie al behoorlijk uitgegroeid. Ik heb menig tentamen voorbereid met op de achtergrond mijn langspeelplaten. Vooral drie werken hebben menig biologisch studieobject omlijst, altijd weer opnieuw: Stravinsky’s Petroesjka, Mozarts Zauberflöte en Schuberts Forellenquintett, mijn eerste grote ballet- resp. opera- resp. kamermuziek-ervaring. Na Petroesjka ook Stravinsky’s De Vuurvogel en de Sacre du Printemps. De première van dit laatste werk in 1913 veroorzaakte in Parijs een enorm schandaal; maar toen Gerdien en ik het in Johannesburg in de concertzaal beluisterden, bleef alles rustig en klapte iedereen braaf. Het spektakel kwam pas na afloop, toen we de straat opgingen om moederziel alleen op een taxi te wachten en we door twee vriendelijke dames met de auto opgepikt werken, die ons ernstig vermaanden: ‘U kunt hier niet als twee blanken zo laat op de avond veilig op straat staan…’

Altijd was er muziek in mijn studentenkamer. Af en toe kwam een muzikale medebewoner binnen om nieuwsgierig te vragen wat ik nu weer op had staan. Er is nog altijd muziek in mijn studeerkamer. Ik typ deze woorden terwijl ik luister naar de Manfred-symfonie van Tsjaikovsky. Het had natuurlijk ook iets totaal anders kunnen zijn. Zonder muziek werk en studeer ik zelden. Het heeft de rustgevende en zinsverrukkende uitwerking op mij die de citerspeler op de geest van de profeet Elisa had (2 Kon. 3:15). En soms verlaat ik mijn studeerkamer om naar de huiskamer te gaan waar de piano staat, gedachtig aan het bijbelwoord: ‘Is iemand welgemoed? Laat hij lofzingen’ (Jak. 5:13) – waarbij ‘lofzingen’ (Grieks psallein) letterlijk ‘tokkelen (van snaren)’ betekent. Als ik ‘welgemoed’ ben, breng ik graag de pianosnaren in beweging!

Komt het door de duizenden samenkomsten die ik in mijn leven heb meegemaakt dat ik erg gesteld ben op kerkscènes in opera’s? Dit zijn voor mij de top-zes:

1) Verdi, La Forza del Destino (1862) (koor Venite, adoremus et procedamus ante Deum, ‘Komt, laten wij God aanbidden en vóór Hem treden; laten wij smeken voor het aangezicht van God, die ons gemaakt heeft’).

2) Wagner, Die Meistersinger von Nürnberg (1862-64) (koor Da zu dir der Heiland kam, ‘Toen de Heiland naar u [= Johannes de doper] toe kwam, gewillig de doop onderging, zich wijdde tot de offerdood…’). 

3) Berlioz, La Damnation de Faust (1845-46) (koor Christ vient de ressusciter, ‘Christus is zojuist opgestaan, het funeste verblijf in het graf verlatend, stijgt Hij des te schoner op naar de hemelse woning’).

4) Mascagni, Cavalleria Rusticana (1888) (koor Surrexit Dominus vere. Alleluja!, ‘De Heer is waarlijk opgestaan. Halleluja!’; vgl. Luk. 24:34). 

5) Puccini, Tosca (1890) (koor Adiutorium nostrum in nomine Domini, ‘Onze hulp is in de Naam van de Here, die hemel en aarde gemaakt heeft’, Ps. 124:8).

6) Puccini, Suor Angelica (1918) (koor Ave Maria, piena di grazia, ‘Wees gegroet, Maria, vol van genade, de Heer is met u’, enz.; vgl. Luk. 1:28,30).

Volgende keer nog iets meer.