Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Blog Post

190 Vier soorten christenen

september 2, 2020 Column

Als ik zeg dat er vier soorten christenen zijn, bedoel ik niet dat er Kerst-, Goede-Vrijdag-, Paas- en Pinksterchristenen zijn. Dat is zeer zeker waar, en dat heb ik elders uitgelegd. Ik bedoel ook niet dat je rooms-katholieke, Oosters-Orthodoxe, traditioneel-Protestantse en Evangelische christenen hebt. Dat is ook ongetwijfeld waar, en dat heb ik ook al heel wat keren over geschreven. Nee, vandaag doel ik nu eens op een heel andere indeling, en wel rond de werkwoorden willen en kunnen. Simpel gezegd: wil je Jezus volgen? En kun je Jezus volgen? Wat dat betreft, heb je volgens mij wil-niet/kan-niet-christenen, je hebt wil-wel/kan-niet-christenen, je hebt kan-wel/wil-niet-christenen, en je hebt kan-wel/wil-wel-christenen. Meer soorten zijn er niet. Duidelijk, nietwaar? Ik zal proberen het uit te leggen.

Allereerst heb je de wil-niet/kan-niet-christenen. Dat zijn de mensen die wel ‘godsdienstig’ zijn, ze gaan met enige regelmaat naar de kerk, ze hebben ‘belijdenis’ gedaan (want ‘je wilt er toch ook bij horen’, zoals een jonge vrouw tegen me zei), ze bidden wel eens, ze volbrengen redelijk trouw hun godsdienstige verplichtingen. Maar meer ook niet. Ze hebben geen persoonlijke relatie met Jezus Christus, en hebben daar ook geen interesse in (of hebben nog nooit tot zich laten doordringen dat zoiets bestaat en wat dat inhoudt). Ze hebben nooit de keuze gemaakt om consequente volgelingen van Jezus te worden. Laten we ze Demas-christenen noemen (vgl. 2 Tim. 4:10), omdat ze op Demas, de vroegere medewerker van Paulus, lijken: als het erop aankomt, hebben zij de ‘tegenwoordige wereld’ meer lief dan Christus. Wat zij nodig hebben, is bekering.

Ik ken verschillenden van die mensen die al jaren niet meer in de kerk komen, maar ze betalen wel hun kerkelijke belasting. Zo van: je weet nooit waar het goed voor is. Of: als ik overlijd, kan ik er tenminste op rekenen dat er een predikant is die mij begraaft.

De tweede groep is van totaal andere aard. Zij omvat de wil-wel/kan-niet-christenen. Dat zijn de mensen van Romeinen 7: ze zijn wedergeboren, ze hebben God en zijn geboden hartelijk lief, ze willen niets liever dan Hem te dienen, maar ze hebben niet de kracht om zijn geboden te volbrengen. Het mislukt steeds weer. Dat beseffen ze ook, en daarom klagen ze vaak: ‘Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ (vs. 24). Ze kennen de Heilige Geest wel van naam, maar in Romeinen 7:7-25 komt Hij helemaal niet voor; het is allemaal ‘ik’, ‘mij’ en ‘mijn’. Pas in Romeinen 8 komt de Heilige Geest uitvoerig aan bod. Deze tweede groep zijn de mensen die als het ware zeggen: ‘Ondanks Christus ben ik constant een verliezer’, terwijl Romeinen 8:37 zegt dat wij in Christus ‘meer dan overwinnaars’ zijn (vs. 37). Zij gaan voort van zwakheid tot zwakheid, terwijl Psalm 84:8 zegt: ‘zij gaan van kracht tot kracht’. Laten we ze Romeinen-7-christenen noemen. Wat zij nodig hebben, is vervulling met de Heilige Geest. Of, om een mooi woord uit Romeinen 8:2 te gebruiken: ze hebben vrijmaking nodig: vrijgemaakt worden van de keiharde wetmatigheid van zonde en dood in hun leven.

De derde groep zijn de kan-wel/wil-niet-christenen; ze verschillen enorm van de vorige groep. Laten we aannemen dat ze werkelijk wedergeboren zijn (hoewel dat vaak nauwelijks ergens aan te zien is). Toch kiezen zij er gewoonlijk voor hun eigen zin te doen, voor zichzelf te leven, zich niet door de Heilige Geest te laten leiden, maar door hun zondige vlees. Het zijn de mensen die je onder andere beschreven vindt in 1 Korinthiërs 3:1-3 en Galaten 5:13-21. Net als de vorige groep willen ze best wel graag behouden worden, maar ze willen niet als geredde mensen leven. Ze zijn net zo zwak als de vorige groep, alleen wil díé groep dolgraag de Here dienen, terwijl déze groep daar niet zoveel belangstelling voor heeft. Het verschil met de eerstgenoemde groep is dat die niet, en dezen wel wedergeboren zijn. Laten we ze, net als Paulus doet, ‘vleselijke’ christenennoemen. Wat zij nodig hebben, is wat Paulus zegt in Efeziërs 5:14, ‘Ontwaak, jullie die slapen, en sta op uit de doden’.

De vierde groep zijn de kan-wel/wil-wel-christenen. Het is met hen een beetje als met de ‘vaders’ in 1 Johannes 2: er valt weinig van hen te zeggen. Het is bij hen Christus voor en Christus na, en dat is het. Ze willen Hem graag volgen en dienen, en door de kracht van de Heilige Geest doen ze het ook. Ze zijn niet alleen wedergeboren, maar hun innerlijk wordt van dag tot dag vernieuwd (2 Cor. 4:16). Laten we ze, net als Paulus doet, ‘geestelijke’ christenen noemen (1 Kor. 2:14). De vorige twee groepen omvatten eigenlijk geestelijke ‘baby’s’, hoe totaal verschillend ze onderling ook zijn. Maar deze vierde groep omdat de ‘jongelingen’ en ‘vaders’ in Christus. Als er iets is wat zij nog nodig zouden kunnen hebben, is dat voortgaande geestelijke groei én volharding om bij de Here te blijven. Ze weten zelf als geen ander dat daarvoor de voortdurende kracht van de Heilige Geest noodzakelijk is.

Ik heb meermalen predikanten horen zeggen dat geestelijke groei betekent dat je steeds meer in je heilszekerheid bevestigd wordt. Daar ben ik het niet mee eens. Heilszekerheid behoort tot het beginstadium van je geestelijke ontwikkeling, niet bij het midden of het einde ervan. Het is een zonderlinge verwarring tussen de tweede en de vierde groep die ik genoemd heb.

Ik denk dat veel christenen er zeer mee gediend zouden zijn als er meer gepreekt zou worden over de verschillen tussen de natuurlijke, de vleselijke en de geestelijke christenen (1 Kor. 2:12–3:3). En ook over de baby’s, de jongelingen en de vaders in 1 Johannes 2. Kortom: over geestelijke groei.