Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Blog Post

De grondwet van Gods koninkrijk is een wet van vrije mensen! (Jakobus II)

13/10/2023 Column

Onder Gods geboden – en toch vrij zijn. Kan dat? Zeker, zegt Jakobus: voor de gelovige is Gods wet juist een ‘wet van de vrijheid’! Die wet is tegelijk de grondwet van het koninkrijk van God: zó gaan we in dat koninkrijk met elkaar om, en zó dienen we God in dat rijk. En dit zijn twee principes van het koninkrijk: licht en liefde!

De wet van de vrijheid

Als iemand wedergeboren is (Jak. 1:18), moeten de vruchten daarvan zichtbaar worden (vs. 19-21a): leren luisteren (naar de stem van God), behoedzaam zijn met wat je zegt, niet te gauw boos worden, want boosheid leidt gemakkelijk tot zonde (vgl. Ef. 4:26-27).

Het woord van God waardoor een mens wedergeboren wordt (vs. 18), is als een zaad in de ziel (vs. 21b; vgl. 1 Petr. 1:23), dat in de christelijke levenswandel tot ontwikkeling moet komen en dat leidt tot de uiteindelijke ‘behoudenis’ (aan het eind van het aardse leven). 

Bij een echte hoorder van het woord komt het dus ook tot bijpassende daden; als die vrucht er niet is, en je denkt toch dat je een christen bent, dan bedrieg je jezelf (vs. 22-24): je hebt gehoord, maar niet geluisterd; je hebt gekeken, maar niets gezien (als iemand die een blik werpt in de spiegel, en meteen vergeet wat hij zag).

Daar komt nog bij dat echt geloof en de vrucht ervan altijd genormeerd is, en die norm komt (uiteraard) van God: het is de ‘volmaakte wet, die van de vrijheid’ (vs. 25). Een mens wordt niet behouden door eigen prestaties (werken van de wet), maar alleen door geloof dat zich hulpeloos in de armen van God werpt (vgl. bijv. Rom. 3:21-31). Omgekeerd zal een echt geloof altijd goede werken voortbrengen, dat zijn werken die aan Gods norm voldoen.

Let op het verschil: een wet der slavernij is een wet die dingen verbiedt die ons zondige vlees nu juist graag wil, of dingen van ons vraagt die ons vlees nu juist níét wil (vgl. Rom. 7:7-26); maar een wet der vrijheid is een wet die dingen verbiedt of gebiedt die exact overeenkomen met wat de nieuw mens nu juist óók niet wil resp. graag wil. Een mens is vrij als hij kan doen en laten wat hij zelf wil; een wet der vrijheid is een wet die precies van hem vraagt wat hij zelf (d.w.z. zijn nieuwe natuur, bekrachtigd door de Heilige Geest) ook graag wil.

Ook in de nieuwe schepping staat de mens altijd onder de wet van God (vgl. Joh. 14:15,21; 15:10,12; Rom. 13:8-10; Gal. 6:2); maar die wet correspondeert precies met zijn nieuwe natuur. Dit is de paradox van het geloof: de wedergeboren mens is waarlijk vrij, en staat toch onder Gods wet – maar dat is de wet van de vrijheid.

Ware godsdienst

Jakobus rondt het eerste hoofdstuk af met de vraag wat ‘ware godsdienst’ is. Dat is je leven in dienst van God stellen, tot zijn eer en tot zegen van anderen. De wedergeboorte is daarvoor een vereiste. Echte wedergeboorte kun je alleen herkennen aan de vruchten. Dat is ten eerste de vernieuwde spraak (vgl. 3:1-12): hoe spreek je, in welke gezindheid, en waarvan spreek je? Ontzettend veel kwaad in de wereld, ook in de kerkelijke wereld, ontstaat door de dingen die mensen zeggen. Daarbij kunnen de sprekers in de eerste plaats hun eigen hart gemakkelijk bedriegen (vs. 26).

De tweede vrucht is praktische liefde jegens behoeftige medemensen (‘wezen en weduwen’; vgl. Jes. 9:17; Gods voorbeeld: Ps. 68:6). Als iemand zegt dat hij God liefheeft, moet dat in de eerste plaats heel concreet blijken uit zijn liefde jegens anderen (vgl. 1 Joh. 4:20–5:2). Dit thema wordt uitgewerkt in 2:2-7 en 14-16; 5:1-6. De derde vrucht is praktisch een scheiding aanbrengen tussen jezelf en de ‘wereld’ die door zonde en duivel geregeerd wordt (vgl. Gal. 5:14; 1 Joh. 2:15-17; 5:19).

Jakobus 2

Terwijl in Jak. 1 God de Vader centraal staat (de ‘Vader der lichten’, 1:17), wijst Jak. 2 op de tweede persoon van de Godheid, de ‘Heer der heerlijkheid’ (2:1). In verband daarmee worden de erfgenamen van het toekomstige Messiaanse rijk voorgesteld (vs. 5), plus de grondwet van dit koninkrijk (de ‘koninklijke wet’, vs. 8), en het geloof dat op deze nieuwe wereld betrekking heeft (vs. 14-26: de ‘werken’ die hier genoemd worden, zien vooruit naar die nieuwe wereld). 

Is een trefwoord van Jak. 1 licht, een trefwoord van Jak. 2 is liefde.

Het koninkrijk van God

In Gods nieuwe wereld (Jak. 1) is God de ‘Vader der lichten’ (1:17), maar Christus is de ‘zon der gerechtigheid’ (vgl. de zinspeling in 1:11): Hij overstraalt met zijn heerlijkheid heel Gods nieuwe bestel. De volgeling van Jezus richt zich dan ook geheel en al op Hem en brengt zijn eigen geloofsleven in die sfeer van heerlijkheid.

Het eerste gevolg daarvan is dat er in het koninkrijk van God (vgl. vs. 5 en 8) geen ‘aanzien des persoons’ is, d.w.z. de één wordt niet op grond van afkomst, welvaart of capaciteiten boven de ander gesteld. De rijke broeders zijn voor God niet meer ‘waard’ dan de arme broeders (vs. 2-3). Wie de zaak anders beziet, handelt niet in gerechtigheid, maar vanuit ‘boos overleg’ (vs. 4), dus vanuit zijn zondige vlees. Voor God zijn alle gelovigen gelijk; zij zijn gelijkelijk geliefde kinderen van Hem.

Sterker nog: juist de armen lijken een streepje voor te hebben (met name in Lukas krijgen we voortdurend die indruk; zie ook 1 Kor. 1:26-28): juist zij zijn bij uitstek uitverkoren voor de rijkdom van het geloof en zijn ‘erfgenamen van het koninkrijk’, dat beloofd is aan hen die ‘God liefhebben’ (vs. 5; vgl. 1:12).

Het ‘koninkrijk beërven’ (Matt. 25:34; 1 Kor. 6:9-10; 15:50; Gal. 5:21; Ef. 5:5) betekent deel krijgen aan het koninkrijk van God zoals het straks in heerlijkheid en majesteit gestalte zal krijgen bij de wederkomst van Christus – maar de zegeningen daarvan genieten zulke erfgenamen nu al. Juist degenen die het in dit leven het zwaarst gehad hebben (armoede, ziekte, vervolging, verdrukking), lijken straks het heerlijkst te zullen schitteren in het komende koninkrijk (vgl. Dan. 12:3; Matt. 13:43). Het is verschrikkelijk als zulke mensen zelfs door hun medechristenen kwalijk behandeld worden (vs. 6-7). Zo’n behandeling betekent een minachting van de ‘koninklijke wet’, d.i. de grondwet van het koninkrijk Gods. Dat is geen ander dan dit grondbeginsel uit de wet van Sinaï: je naaste liefhebben als jezelf (Lev. 19:18; zie vooral Rom. 13:9; Gal. 5:14). Het koninkrijk van God is het koninkrijk van de Zoon van zijn liefde (Kol. 1:13), en de grondwet ervan is daarom ook dat van de liefde: de liefde tot God (vs. 5; vgl. 1:12) en de liefde tot de medemens (vs. 8; vgl. 1:27).

Valse discipelen

Sommige lezers van de brief – de ‘rijken’ – hadden die grondwet met voeten getreden door de armen te onderdrukken, onder andere door middel van valse aanklachten (vs. 5b-7). Wie zo handelt, ‘lastert’ (spreekt kwaad van) de heilige naam van God die over zijn volk is uitgeroepen; d.w.z. zij beledigen de God van het koninkrijk van God. Wie dat stelselmatig doet, geeft daarmee alleen maar aan zelf geen echte discipel van het koninkrijk van God te zijn (vs. 9).

Je kunt je er niet achter verschuilen dat je andere geboden van God wél goed onderhoudt: als je één gebod overtreedt, ben je principieel schuldig aan de hele wet. Dus welk gebod je ook overtreedt, je bent schuldig aan de héle wet, en dus ook aan de grondwet van de liefde. Daarmee word je ontmaskerd als valse discipel.

Houd je dus altijd aan deze grondwet van het koninkrijk van God (vs. 8; vgl. vs. 5), dat is de ‘wet van de vrijheid’ (vs. 12; vgl. 1:25), d.i. de wet die nageleefd wordt door hen die de ware vrijheid in Christus kennen. Wie een valse discipel van het koninkrijk is, zal onder het oordeel van God komen (vs. 13). De grondwet van het koninkrijk vereist barmhartigheid; wie (stelselmatig) onbarmhartig is, zal Gods onbarmhartigheid in het oordeel moeten ondergaan. De discipel die geleefd heeft vanuit de barmhartigheid, zal straks in het oordeel zegevieren; de onbarmhartigen daarentegen gaan in het oordeel ten onder.