Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Blog Post

182 Nog eens tien dwalingen

juli 1, 2020 Column

Mijn column van drie weken geleden, over tien dwaalleringen die in Nederland de ronde doen, heeft zoals verwacht nogal wat losgemaakt. Sommige mensen waren gekwetst omdat ik hun opvatting als een ‘dwaallering’ afdeed. Waarom? Ik voel mij ook niet gekwetst als anderen mijn opvattingen als ‘dwaalleringen’ afdoen. We moeten elkaar toch onze meningen durven zeggen? Andere lezers waren verbaasd dat ik niet sommige ándere (in hun ogen) ‘dwalingen’ had aangepakt. Waarom weer niet eens tekeergegaan tegen de rooms-katholieken!? Nou, misschien wel omdat katholieken, als het om de persoon van Christus en de Drie-eenheid gaat, vaak veel orthodoxer zijn dan veel protestanten. Maar goed, laat ik hier drie bezwaren noemen tegen het rooms-katholicisme; ik noem alléén punten waarin de rooms-katholieken helemaal alleen staan (dus waarin ook de Oosters-orthodoxen niet met hen meegaan):

1) Pausdom. Alleen rooms-katholieken geloven dat de bisschop van Rome, de ‘paus’ genaamd, het door Christus aangestelde hoofd van de hele christelijke kerk op aarde is, en wel omdat Petrus de eerste paus geweest zou zijn, en elke paus een opvolger van Petrus zou zijn. Dit wordt zonder deugdelijke argumentatie gegrond op Matt. 16:18v.

2) Onbevlekte ontvangenis van Maria, een leer die niets te maken heeft met de maagdelijke geboorte van Christus, maar inhoudt dat Maria in de schoot van haar moeder ontvangen zou zijn zonder de bevlekking van de erfzonde. Rooms-katholieken proberen hiervoor niet eens Schriftbewijs aan te halen.

3) Het vagevuur, d.w.z. een tussentoestand waarin gestorven gelovigen gereinigd worden voordat zij worden toegelaten tot de hemel. Men probeert dit achteraf in te lezen in 1 Kor. 3:10-15, dat over zo’n plaats echter helemaal niet spreekt.

Laat me nu enkele punten noemen waarin traditionele protestanten nog steeds op het spoor van het rooms-katholicisme zitten, terwijl verreweg de meeste evangelicalen een (naar hun overtuiging) meer bijbelse koers zijn ingeslagen:

4) De kinderdoop. De handhaving van de kinderdoop, en wel door besprenging (de Oosters-orthodoxen dopen ook kinderen, maar dan door onderdompeling). De vroege protestanten hebben daar wel allerlei nieuwere theologieën onder geschoven, maar de praktijk is hetzelfde gebleven. Sommigen hebben de doopsgezinden met hun geloofsdoop destijds zelfs ten dode toe bestreden.

5) Het achiliasme, de leer dat op de wederkomst van Christus en het ‘laatste oordeel’ onmiddellijk de nieuwe hemel en aarde volgen. De meeste vrijkerkelijke evangelicalen zijn voorstanders van het prechiliasme, d.w.z. aanvaarden de volgorde die in Openb. 19-21 beschreven wordt: eerst de wederkomst, dan de duizendjarige Christusregering, dan de nieuwe hemel en aarde.

6) De vervangingstheologie (supersessionisme), die nauw met het vorige punt samenhangt. Zij leert dat er geen toekomst is voor het etnische Israël als zodanig, dat de landbelofte net als alle andere Israëlprofetieën vergeestelijkt moet worden, en dat vandaag de dag de Kerk het ‘geestelijk Israël’ is. Dit ondanks de heldere boodschap van o.a. Matt. 24-25, Rom. 9-11 en Openb. 7. Onder evangelicalen, maar ook onder traditionele protestanten, breekt op deze punten vandaag de dag het licht steeds helderder door.

Als tegenwicht tegen het voorgaande noem ik ook enkele dwalingen die ik helaas onder evangelicalen aantref en die ik de vorige keer niet genoemd heb; het opmerkelijke ervan is dat, naar mijn bescheiden mening, traditionele protestanten het dit keer wél goed zien:

7) De leer dat Jezus kon zondigen. De gedachte is hier dat Jezus, net als elke Adamiet, zou kunnen zondigen, maar – en dat is het verschil – dat Hij dat nooit deed. Sommigen beweren zelfs dat Jezus als Adamiet met de erfzonde geboren werd, maar daar nooit aan toegaf. Daartegenover leert de Bijbel m.i. dat Jezus niet de erfzonde had (2 Kor. 5:21; 1 Joh. 3:5), en dat Hij dus niet ‘kon’ zondigen (in de ethische zin van het woord ‘kunnen’). Fysiek had Hij iets kunnen doen dat God verboden had; maar moreel was Hij daartoe niet in staat.

8) De afval der heiligen, d.i. de leer dat wedergeboren christenen toch nog verloren zouden kunnen gaan. Men haalt daarvoor vele teksten uit het Nieuwe Testament aan, maar die gaan m.i. allemaal over ‘naamchristenen’ (mensen die wel belijden christenen te zijn, maar nooit wedergeboren zijn). Schijnchristenen kunnen wel degelijk verloren gaan, en gáán ook verloren als zij zich niet bekeren – maar wedergeboren christenen niet (vgl. Joh. 10:28v.).

9) De leer van de ‘second blessing’, d.i. de leer dat er wedergeboren christenen zijn die de zekerheid van hun eeuwig behoud hebben, en toch niet de Heilige Geest inwonend zouden hebben. Daarvoor haalt men de eenmalige situaties van Hand. 2, 8 en 19 aan waar het over de eerste Joden, Samaritanen en discipelen van Johannes de Doper gaat. Waarom niet Hand. 10 aangehaald, waar het over ónze categorie (de heidenvolken) gaat, en waar degenen die tot geloof komen, onmiddellijk de Heilige Geest ontvangen? Dit is ook wat Efez. 1:13 letterlijk zegt: ‘… in Wie jullie ook, tot geloof gekomen zijnde, verzegeld zijn met de Heilige Geest der belofte’. Wel is het zo dat veel gelovigen pas naderhand de vervulling met de Heilige Geest leren kennen (vgl. Ef. 5:18), maar dan hebben zij de Geest allang inwonend in zich.

En ten slotte een zeer wijdverbreide dwaling die we onder alle soorten christenen tegenkomen:

10) De plundering van de hel (Engels: harrowing of hell): de leer dat Christus tussen zijn sterven en opstanding is afgedaald in de hel (sommigen zouden liever zeggen: in het dodenrijk), en daar verlossing zou hebben aangebracht aan al de gestorven rechtvaardigen die daar sinds het begin van de wereld in duisternis zouden hebben gezeten, om hen vervolgens triomfantelijk mee omhoog te voeren en hen in het paradijs te brengen. Deze leer berust op een kaartenhuis van zeer aanvechtbare exegeses van Jes. 24:21v.; Zach. 9:11; Hand. 2:27,31; Rom. 10:6-8; Ef. 4:7-10 (vgl. Ps. 68:19); Fil. 2:9v.; 1 Petr. 3:19v.; 4:6, e.d.