Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Blog Post

Psalmendagboek Dag 21: Psalm 13

12/08/2023 Column

Het ‘Hoe lang’ van vers 1 zijn we al eerder tegengekomen (zie Dag 9). Hoe lang moet mijn ellende nog duren, Here? Dit kunnen opnieuw de woorden van de door Saul achtervolgde David zijn, maar in wijdere zin geldt het ook de getrouwen in Israël van alle tijden, die verdrukt worden door nabuurvolken óf door boosdoeners in Israël zelf.

David is zo wanhopig dat hij zich zelfs afvraagt of de Here hem helemaal vergeten is; in ieder geval ervaart hij het zo alsof de Here zijn aangezicht voor hem verborgen heeft (vs. 1). De weeklacht gaat nog even zo door, totdat er in het slot van de Psalm licht aan het einde van de tunnel is. Voor Israël is dat uiteindelijk altijd het licht van het Messiaanse rijk. Dit algemene thema komt heel vaak in de Psalmen voor: eindeloos lijkende beproevingen en verdrukkingen die de getrouwen moeten ondergaan, tot ten slotte het licht van de verlossing begint door te breken.

De beproevingen betekenen niet dat de getrouwen onder dat alles altijd volkomen passief blijven, en ook moeten blijven. In vers 3-5 zegt David: ‘Hoe lang moet ikzelf plannen smeden in mijn ziel – en dus de hele dag smart in mijn hart hebben – om aan mijn achtervolgers te ontkomen?’ Oftewel: wanneer worden uw plannen nu eens werkelijkheid om mij voor altijd van mijn vijanden te verlossen?

‘Hoe lang zal de vijand de overhand over mij hebben? Kijk naar mij en antwoord mij, Here, mijn God; verlicht mijn ogen (en daardoor ook mijn binnenste; smart en benauwdheid verduisteren het oog; vgl. 1 Sam. 14:27), opdat ik niet de doodsslaap zal hoeven te slapen’. De dood met een slaap vergelijken gebeurt heel vaak in de Bijbel (bijv. Job 3:13; 14:12; Dan. 12:2; Matt. 27:52; Joh. 11:11; Hand. 13:36; 1 Kor. 15:6,18,20; 1 Thess. 4:13-14). Dit is echter geen argument voor de leer van de zogenaamde ‘zielenslaap’; niet de ziel slaapt, maar alleen het lichaam.

David vervolgt: ‘… opdat mijn vijand niet zegt: “Ik heb hem eronder gekregen”, opdat mijn tegenstanders zich niet verheugen wanneer ik wankel’. Na deze smeekbede echter volgt Davids blijde geloofsconclusie (want de ware gelovige leeft altijd vanuit de hoop op God en op de verlossing die eens zal aanbreken): ‘Maar (ondanks alles,) ik heb vertrouwd op uw goedgunstigheid, mijn hart zal zich verheugen over uw verlossing (ook al tranen mijn ogen); ik zal zingen tot de Here, omdat Hij aan mij welgedaan heeft’ (vs. 5-6).