Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Willem J. Ouweneel

Emeritus hoogleraar

Publicist

Schrijver

Spreker/prediker

Blog Post

266 De boodschap van Jakobus 2:14–3:18: zonder vrucht geen echt geloof

20/10/2023 Column

Geloof en werken

De Jakobusbrief is sterk gericht op praktisch christendom; dat betekent: je kunt wel zeggen dat je een volgeling van Christus bent, maar je moet dat waarmaken door je daden. Zeggen dat je ‘geloof’ (jegens God) hebt zonder dat de vruchten van dit geloof zichtbaar zijn, is waardeloos (vs. 14). Paulus zegt in Rom. en Gal. dat een mens niet gerechtvaardigd wordt door ‘(goede) werken’, maar door in geloof te vertrouwen op God en op het volbrachte verlossingswerk van Christus. Maar of het een écht geloof is, zal moeten blijken uit de werken die eruit voortvloeien. Let dus op dit verschil: goede werken zijn geen voorwaarde voor de rechtvaardiging (het door God rechtvaardig verklaard worden); maar: goede werken zijn wel de noodzakelijke vrucht van de rechtvaardigmaking: als die vrucht ontbreekt, is er blijkbaar nooit een echt geloof geweest.

Jakobus neemt weer het voorbeeld van de armen en de rijken: als de rijke de arme aan zijn of haar lot overlaat (desnoods met ‘vrome’ woorden erbij; vs. 16) en niet in diens behoeften voorziet, dan is hij een mooiprater: hij pocht misschien wel op zijn ‘geloof’, maar er blijkt niets van dat geloof: de vruchten ontbreken; het is geen ‘geloof dat door liefde werkt’ (Gal. 5:6). Het is een dood geloof (vs. 17 en 26).

Jakobus verduidelijkt dat door een klein dialoogje (vs. 18): de één heeft (zogenaamd) geloof, maar het is geen echt geloof, want er zijn geen goede werken die eruit voortvloeien. De ander heeft ‘werken’; d.w.z. hij heeft óók geloof, maar hij kan dat ook aantonen door de werken die er het resultaat van zijn.

Het woord ‘geloof’ zegt op zichzelf dus niet zo veel. Je kunt bijvoorbeeld – heel ‘orthodox’ – stellen dat God één is (vgl. Deut. 6:4). Dat is dan mooi. Maar is het ook echt een geloof van je hart, een geloof dat (door de kracht van de Heilige Geest) vrucht draagt? Denk erom: de demonen geloven óók dat God één is, maar wat is hun geloof waard? Echt bijbels geloof is een zaak van het wedergeboren hart (vgl. 1:18,21). Het is ondenkbaar dat zo’n geloof geen vrucht zou dragen.

Enkele voorbeelden

De voorbeelden die Jakobus nu geeft, laten zien dat het niet gaat om wat in de maatschappij misschien ‘goede werken’ heet, zoals gewone liefdadigheid. Het gaat om werken die moeten voldoen aan de ‘koninklijke wet’ c.q. de ‘wet van de vrijheid’ (vs. 8,12). God houdt er andere maatstaven op na dan ‘de wereld’!

Neem Abraham: wat hij deed, was het beramen van een moordaanslag, nl. het met voorbedachten rade doden van zijn eigen zoon (vs. 21v.). Of denk aan Rachab: wat zij deed, was hoogverraad jegens haar eigen volk door te heulen met de vijand (vs. 25). Voor beide daden kun je in sommige landen de doodslag krijgen! Gods criteria voor goede werken verschillen fundamenteel van die van ‘de wereld’, zoals de uitgewerkte voorbeelden aantonen.

Abraham (een man van Gods volk): vers 23 herinnert eraan dat Abraham al in Gen. 15:6 een gelovige bleek te zijn, d.w.z. iemand die zich geheel aan God en zijn beloften toevertrouwde. Op grond daarvan noemt God hem een rechtvaardige, want dat is iemand die leeft uit zijn geloofsvertrouwen jegens God (vgl. Hab. 2:4). Abraham bleek een rechtvaardige te zijn doordat hij God vertrouwde in Gen. 15. Maar dit geloofsvertrouwen bleek echt te zijn toen God in Gen. 22 van hem vroeg zijn zoon Izaäk aan Hem terug te geven, en Abraham daartoe werkelijk bereid bleek (vs. 21-22). Zijn geloof werd zichtbaar (vs. 22: ‘volmaakt’, compleet, gerijpt) uit de werken die eruit voortvloeiden. Abraham stond op zo intieme voet met God dat hij zelfs Diens ‘vriend’ werd genoemd (2 Kron. 20:7; Jes. 41:8).

Rachab (een heidense vrouw): deze vrouw in Jericho was allang de God van Israël toegedaan; maar het geloof dat in haar hart was, bleek ook werkelijk toen zij de verspieders van Israël hielp ontsnappen (Joz. 2). Haar geloof werd bevestigd door haar werken; oftewel: zij bleek een rechtvaardige te zijn door de werken die uit haar geloof voortvloeiden.

Jakobus voegt nog deze parallel toe (vs. 26): het lichaam zonder geest (dus in het geval van een gestorvene) is dood; zo is het geloof zonder werken is dood (vruchteloos, waardeloos).

Het gevaar van de tong

Het zondige vlees van een mens (of hij nu gelovig of ongelovig is) uit zich in zondige gedachten (zie bijv. Matt. 15:19; 2 Kor. 11:3; Hebr. 4:12), zondige woorden (zie bijv. Ef. 5:6; 2 Petr. 2:3) en zondige handelingen (zie bijv. Mark. 7:21-23; 1 Kor. 5:10; 6:9-10). In Jak. 3:1-12 gaan het vooral om de zonden van de tong. Enerzijds: streef naar een bediening waarin je je talenten optimaal kwijt kunt (1 Kor. 12:31; 1 Tim. 3:1); anderzijds: wees beducht voor jezelf: hoe meer je spreekt in je bediening, des te meer verkeerde dingen kun je zeggen (vgl. Pred. 5:1).

Enerzijds is er het ideaal: ‘zondig niet (meer)’ (Joh. 5:14; 8:11; 1 Joh. 2:1; specifiek met de tong: Ps. 39:2); anderzijds is er de praktijk: ‘wij struikelen allen dikwijls’ (Jak. 3:2). De enige Man die niet in woorden struikelde, was Christus! (vgl. ‘zelfs’ Paulus: Hand. 23:3-5).

Jakobus wijst op de volgende parallellen: een heel paard wordt bestuurd door een enkele toom in de mond (vs. 3); een groot schip wordt bestuurd door een klein roer (vs. 4); en heel bos kan verteerd worden door een klein vuur (vs. 5b). Zo wordt ook een hele mens beheerst door de tong. Dat is een een klein orgaan dat een hele wereld in vuur en vlam kan zetten; immers, enerzijds kan ze door de hel worden aangestoken en een ‘wereld van ongerechtigheid’ creëren (vs. 5a,6). Planten en dieren worden getemd door de mens – maar wie kan de (venijnige) tong van de mens temmen (vs. 7-8)? Anderzijds: met dezelfde tong kun je zegen (hier: lofprijzing aan God) én vervloeking (over medemensen, die net als wij naar Gods gelijkenis geschapen zijn) uitspreken (vs. 9-10).

Het zou toch wel inconsequent zijn als een wedergeboren mens kwaad zou uitspreken: een zoete of zoute bron kan toch geen zout resp. bitter of zoet water voorbrengen? En een vijgenboom kan toch geen olijven en een wijnstok toch geen vijgen voortbrengen?

De wijsheid van boven

Jakobus vraagt: ‘Wie is wijs?’ (vs. 13). D.w.z. waar zijn in tijden van verval onder Gods volk de ‘wijzen’ (de ware vromen, de rechtvaardigen) te vinden? Dat zijn degenen die Gods gedachten voor een dergelijke tijd verstaan (vgl. 1 Kron. 12:32; Esth. 1:13; Matt. 16:3) en daarnaar leven (vgl. Ps. 107:43; Hos. 14:10); dat zijn de ‘verstandigen’ in Dan. 11:33,35; 12:3,10.

Vers 1-12 illustreert dat er twee soorten wijsheid zijn, die overeenkomen met de twee ‘werelden’ die we in Jak. 1 vonden. Enerzijds is er de wijsheid die van boven komt (die uit God is): deze wijsheid omvat een goede wandel, wijze zachtmoedigheid, reinheid, vreedzaamheid, enz. (vs. 13,15a,17). Dit is de wijsheid van de mens die beheerst wordt door de Heilige Geest; ze is verpersoonlijkt in Christus, die de Wijsheid van God is (vgl. 1 Kor. 1:24; Kol. 2:3).

Anderzijds is er de tegenovergestelde ‘wijsheid’: deze (valse) wijsheid is aards (lees: werelds), ‘natuurlijk’ (lees: ongeestelijk), demonisch, jaloers, twistziek, enz. (en komt dus ‘van beneden’) (vs. 14,15b,16). Dit is de ‘wijsheid’ van de mens die beheerst wordt door het zondige vlees; ze wordt verpersoonlijkt door de goddelozen én door ‘vleselijk’ gezinde christenen.

De eerstgenoemde wijsheid – die uit God is – vind je bij de vredestichters, dus mensen die vrede bewerken: wat zij ‘zaaien’ komt op als de ‘vrucht van de gerechtigheid’, d.i. vrucht bestaande in gerechtigheid (vgl. Fil. 1:11; Hebr. 12:11). De vrede die in hun hart is, komt tot uiting in de ‘wereld van gerechtigheid’ die zij creëren (vgl. vs. 6).