Burmareis 2010 - nabeschouwing

 

N.a.v. de publicaties in CVKoers, Trouw en ND over onze Burmareis 2011 hier de feiten op een rijtje.

(1) De acht Nederlanders die het blindeninstituut bezochten, kwamen met enthousiaste verhalen terug over de ‘genezingen’ van zeven blinden en slechtzienden die zij hadden meegemaakt. Sommigen huilden van ontroering over wat zij hadden beleefd. Kinderen die eerst alleen aan de hand van anderen konden lopen, hadden na het gebed blij over het schoolplein gerend. Het is mogelijk dat de acht meer hebben gezien dan er in werkelijkheid gebeurd is – maar zij waren in elk geval te goeder trouw. Sommigen hadden iets van het gebeuren op hun mobieltjes vastgelegd, maar achteraf bleken die beelden niet erg overtuigend. ’s Avonds zette ik hun enthousiaste verhaal in de blog die ik elke dag schreef. Dat had ik voorzichtiger moeten doen: niet: er zijn zeven blinden genezen, maar: de acht hebben voor de blinden gebeden en meenden duidelijk waar te nemen dat het gezicht van sommigen verbeterde.

(2) Trouw schrijft: ‘Blinden in Burma die zouden zijn genezen door de Nederlandse zendeling Mattheus van der Steen blijken nog blind.’ De waarheid is dat Van der Steen bij het bezoek aan het blindeninstituut helemaal niet aanwezig was. De waarheid is ook dat geen van de acht Nederlanders die het bezoek brachten aan het blindeninstituut, in dienst van TRIN zijn. Het gebeurde weliswaar tijdens een TRIN-reis, maar het voorval kan niet gebruikt worden als argument tegen TRIN als zodanig of tegen Van der Steen. Men moge van Van der Steen vinden wat men wil, maar dít voorval is niet geschikt om hem in diskrediet te brengen.

(3) Tijdens de massabijeenkomsten, die geleid werden door Van der Steen en mijzelf, gaven honderden mensen aan genezen te zijn. Wij wilden dat graag zwart op wit hebben en vroegen hen daarom een formulier in te vullen met naam en adres, de ziekte waaraan zij geleden hadden en hun huidige gezondheidstoestand. 229 mensen hebben zo’n formulier ingevuld. Ik heb gezien hoe die verzameld werden en heb ze doorgekeken. Later hebben wij die opgevraagd en een aantal daarvan heb ik op mijn website gezet. Ik heb er bij Smouter op aangedrongen niet alleen gefixeerd te zijn op die zeven blinden – waarvan Marten Visser al aannemelijk had gemaakt dat minstens enkelen daarvan niet werkelijk genezen waren – maar, als hij toch naar Burma ging, een grondig onderzoek naar die 229 te doen. Hij heeft zich beperkt tot een steekproef van slechts vier, wat natuurlijk geen ‘grondig onderzoek’ is. Wij waren zelf ook nieuwsgierig naar de waarde en waarheid van die 229 getuigenissen, maar Smouter heeft hier een grote kans laten liggen.

(4) Volgens het getuigenis van onze Burmese vrienden liet het optreden van Smouter en consorten in Burma te wensen over. Een van hen mailde dat het ‘wolven’ waren, die zonder aankondiging vooraf ineens voor hun neus stonden met een camera en bovendien op verschillende leugens betrapt konden worden. Ik laat dat voor de verantwoordelijkheid van die Burmese vrienden, maar het versterkt niet mijn vertrouwen in de handelwijze van Smouter. Dat geldt ook voor de toon van zijn artikel (‘een uitzinnige Ouweneel’) plus de geciteerde insinuatie van een anonieme (!) zendeling dat het de Burmese christenen om het geld te doen zou zijn. Deze zendeling moet anoniem blijven ‘omwille van zijn werk’, maar ten aanzien van de Burmese voorgangers heeft Smouter zulke scrupules niet getoond door onaangekondigd met een camera te verschijnen.

(5) De wijze waarop eerst Visser en nu ook Smouter een heksenjacht op de ‘Maastrichtse’ kinderarts hebben geopend, vind ik beneden alle peil. De betrokken arts heeft nooit iets over de zaak gepubliceerd en nooit iets geclaimd. De wijze waarop Visser de rector van de universiteit heeft ingeschakeld en Smouter dat met prof. Van Rens heeft gedaan, is afkeurenswaardig. Van Rens spreekt over de ‘handelwijze’ van de kinderarts, terwijl er helemaal niet van een ‘handelwijze’ sprake is, en al helemaal niet van een ‘handelwijze’ in de hoedanigheid van arts. Volgens de hier gevolgde redenering zou een gelovige arts niet eens voor zijn zieke kinderen mogen bidden, want ‘arts ben je 24/7’, dus als je voor je zieke kinderen bidt, ben je onprofessioneel bezig. Blijkbaar vinden Visser en Smouter dat ook. Bovendien weet Van Rens niet waar hij over praat als hij beweert dat er ‘geen enkel bewijs van succes’ voor de ‘gebedsgenezing’ bestaat. De genoemde kinderarts weigert op de kwestie te reageren, omdat er mijns inziens niets is waarover hij zich zou moeten verantwoorden.